Challenge – dag 179 – nooit meer tranen

img 6938Deze week hadden we een begrafenis van een goede kennis. Hij was jaren ziek en is nu in een verpleeghuis overleden. Hij laat een vrouw, kinderen en kleinkinderen achter. Wat is het dan moeilijk om het verdriet van hen te zien en er niets aan te kunnen doen. Meestal verbergen mensen hun verdriet, maar bij een begrafenis kan dat niet. Bijna iedereen was die bij de dienst aanwezig was, was in het zwart gekleed en dat verhoogt de zwaarte van het verdriet en de beklemmendheid. Twee woorden zijn als het ware met zwarte letters in de lucht geschreven: nooit meer. Nooit meer een knuffel, nooit meer een lach en ook nooit meer een traan. Ik had me ook keurig in een zwart rokje en kanten shirt gestoken. Dit shirt had ik eerder bij een uitvaart gedragen. Het is nu echt gekoppeld aan deze donkere momenten en ik denk niet dat ik nog met plezier ergens anders naar toe kan dragen.

Het was druk tijdens de dienst en later de teraardebestelling, maar wat kun je je dan alleen voelen (dat weet ik uit ervaring). Niemand kan immers jouw kruis dragen dan jij alleen? Komt dit ook niet door het feit dat mensen het moeilijk vinden om hun verdrietige momenten te delen en hun victoriemomenten juist benadrukken? Een stukje kwetsbaarheid zou de wereld minder eenzaam maken. Vergelijk de succesmomenten van een ander niet met je eigen faalmomenten. Dat is niet eerlijk. Niet voor jezelf en ook niet voor de ander. Vaak gaan tijdens een begrafenis mijn gedachten dan ook terug naar mijn eigen verdriet en eigen gedachten. Van de begrafenis van mijn eigen moeder weet ik niet eens veel meer. Het is ook al weer zo lang geleden! Alleen dat ik bij het graf stond en niet kon huilen en dacht: ik moet wel huilen. Dat hoort. Niet huilen is niet normaal. Ik was echter totaal murw gemept (door her nooit-meer-kind-zijn) en stond nog na te trillen van de krater die in mijn leven was geslagen. Later, veel later kon ik het verdriet pas toestaan en een plek geven. Toch probeer ik die gedachten op die momenten altijd te onderdrukken. Degene die een geliefde moet begraven, zit niet te wachten op mijn privé-tranen. Ook hierin wil ik proberen er te zijn voor de ander.

Ik herinner me nog wel goed mijn tranen bij het overlijden van mijn schoonmoeder. Wat verdrietig was dat en dat is nog maar kort geleden. Ze mocht oud worden en dat maakt het toch iets minder moeilijk om er vrede mee te hebben dan wanneer er iemand overlijdt die nog een heel leven voor zich heeft. En mijn eigen verdriet was toen ook helemaal niet belangrijk, maar dat van mijn mannen des te meer. Zij verloren een moeder en oma. Kinderen krijgen is een zegen, maar als ze verdriet hebben, slaat dat deuken in mijn leven. Wat zou ik dan graag hun zorgen, ziekten en vragen overnemen. Helaas kan dit niet. Ik kan alleen maar bij ze zijn en beschikbaar zijn. Is dat ook niet wat God voor ons doet? Er zijn. Hij neemt onze lasten niet weg, maar Hij wil er wel zijn. Hij gaat mee op onze levensweg. En op een dag schijnt de zon weer, ook al zijn de dagen voortaan net iets grijzer en niet helemaal stralend meer. En als eens de dag komt dat Jezus terugkomt, zal alles stralen als nooit tevoren. En dan is het nooit meer verdriet, nooit meer angst en nooit meer pijn. Dan gaat Gods nooit meer gelden! Wat zal ik dan volmaakt gelukkig zijn! Dan huil ik nooit-meer-gelukstranen.

Als ik bij zo’n begrafenis ben, denk ik ook aan het moment dat ik zelf overleden zal zijn. Voor mij zijn dit vertrouwde gedachten. Als je moeder jong sterft, is het leven niet meer vanzelfsprekend. Wat zullen mensen over mij zeggen als ik er niet meer ben? Waarschijnlijk hetzelfde wat ze nu ook zeggen: drukteschopper, alleskunner, enthousiasteling (dat hoop ik tenminste). Hoe onbelangrijk zal dat zijn wat mensen zeggen. Wat veel belangrijker is, wat zal God zeggen als ik bij Hem in de hemel kom: Goed gedaan, trouwe dienstknecht. Ik hoop het zo. De laatste tijd probeer ik met Zijn hulp ook meer zo te leven. Mijn tijd hier op aarde zal ook in de hemel haar waarde hebben. Gelukkig ben ik niet depressief (alleen een tikkie melancholiek), ook al denk ik dagelijks aan de dood. Ik moet er wel aan denken het in Gods handen te (blijven) leggen en dankbaar te zijn voor elke dag. En als mijn aller-aller-allerlaatste dag hier aanbreekt en mijn familie en vrienden hun nooit-meer-tranen om mij huilen, dan hoop ik eigenlijk dat ik tot zegen ben geweest.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.